- bond
- n. bond (familienaam)bond1[ bond]I 〈telbaar en niet-telbaar zelfstandig naamwoord〉1 band ⇒ verbond(enheid), binding2 verbintenis ⇒ contract, verplichting3 obligatie ⇒ schuldbrief, schuldbekentenis4 verbinding ⇒ hechting; 〈scheikunde〉 verbinding; 〈metselen〉 verband5 → bond paperbond paper/♦voorbeelden:2 that man's word is as good as his bond • je kunt die man op zijn woord vertrouwen¶ place goods in bond • goederen in entrepot opslaantake goods out of bond • goederen uit entrepot halen (door het betalen van accijnzen/invoerrechten)II 〈meervoud〉1 boeien ⇒ ketenen, gevangenschap♦voorbeelden:1 burst one's bonds • de vrijheid hernemen, ontsnappenin bonds • in de gevangenis, in gevangenschap————————bond2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 zich verbinden (met elkaar) ⇒ (aan elkaar) vast blijven zitten2 plakken ⇒ lijmen, hechtenII 〈overgankelijk werkwoord〉1 in entrepot opslaan2 (aan elkaar) verbinden ⇒ (aan elkaar) lijmen/metselen, hechten; 〈scheikunde〉 binden♦voorbeelden:1 the wine was bonded until the importer had paid duty • de wijn bleef in entrepot totdat de importeur accijns/invoerrecht had betaald¶ the firm bonds this merchandise • de zaak staat garant voor deze waar
English-Dutch dictionary. 2013.